Inloggen

Joris Luyendijk over school, het kapitalisme en de witte man

Door Hugo Arlman.

“Het is nog echt ‘early days’. Bij de Spaanse griep in 1918 was de eerste golf ook mild. De tweede daarentegen raakte alle leeftijdsgroepen, en toen was je opeens binnen een paar uur na infectie dood.” Aan het woord is Joris Luyendijk (1971), van 1984 tot 1990 leerling op het Gymnasium aan de Schuttersweg. De Nieuwsbrief spreekt met hem naar aanleiding van een boek dat Kees van Lede (1942), vader van Joris’ klasgenote Fiona, en hij maakten. Pessimisme is voor losers. Op de rand van een nieuwe tijd, een briefwisseling tussen hen uit 2018 en 2019. Een boek dat ante-coronam de staat van de economie, het kapitalisme en de wereldverhoudingen aan de orde stelt vanuit de perspectieven van respectievelijk een gepensioneerde, liberale captain of industry vis-à-vis een Nederlandse topjournalist van middelbare leeftijd. 
Juist nu, door de coronacrisis lijkt het wel alsof alles op de schop moet, leg ik Luyendijk voor. “Zeker is in ieder geval dat er een gigantische economische, daarmee financiële, daarmee monetaire en daarom Europees-politieke crisis en confrontatie aan gaat komen. Aangezien we bij de invoering nooit wilden praten over de nadelen van de euro, kent en snapt nu bijna niemand in Nederland de voordelen voor Nederland van een gemeenschappelijke munt. Dan heb je politici zoals Wopke Hoekstra en Mark Rutte (allebei gymnasiasten overigens) die dit verhaal ook niet vertellen. Daarmee scheppen ze dezelfde omstandigheden als in Engeland. Dit is een spelletje dat Nederland heel duur kan komen te staan.”
foto: Jelmer de Haas

Luyendijk studeerde na het Gymnasium politicologie en Arabische en religieuze anthropologie in Amsterdam. Hij werkte als correspondent in Cairo, Beiroet en Jeruzalem. Hij presenteerde tv-programma’s als Zomergasten. En heeft een serie journalistieke boeken op zijn conto staan, over het Midden Oosten o.a. Een goede man slaat soms zijn vrouw (1998) en Het zijn net mensen (2015). Op de vraag waar zijn belangstelling voor de Arabische wereld vandaan kwam, zegt hij: “Dat weet ik ook niet. In ieder geval niet van het Gymnasium want daar liep in mijn jaar althans niemand met Arabische wortels rond. Ik had denk ik net zo goed Russisch kunnen gaan doen; als het maar exotisch en avontuurlijk was, en toch nog relevant (daarom vielen destijds China of India af, nu zou ik zo’n taal zijn gaan doen.)” 
Zijn journalistiek is vrijwel altijd raillerend, niet zo zeer tegendraads maar vaak geschreven vanuit een onverwachte invalshoek, de lezer weet meestal niet waar Luyendijk vandaan komt. Dat gold voor zijn anthropologische verkenningstocht door de jungle van de financiële wereld in Londen: “Dit kan niet waar zijn: onder bankiers” (2017). Het geldt ook voor Pessimisme is voor losers. Kees van Lede, voormalig VNO-voorzitter en AKZO Nobel CEO, een ouderwetse liberaal met freischwebende Intelligenz, wist dat hij met Joris een uitstekende co-auteur had gekozen. 
Na lezing van het boek van Kees van Lede en jou bleven twee rode draden in jullie tweegesprek hangen, leg ik Luyendijk voor. Jouw serieuze kritiek op het aandeelhouders-kapitalisme en Van Lede’s gematigde instemming met die kritiek; en, jouw vragen over de bubble waarin ceo’s, commissarissen, aandeelhouders, bezoekers van de Bilderberg-conferentie en Trilateral Commissionallemaal zitten – met alle mogelijkheden voor een-tweetjes - versus Van Lede’s ontkenning van het bestaan van zo’n kaasstolp. “Zijn jullie op die dimensies dichterbij elkaar gekomen in je kijk op de wereld?”
“Ik geloof niet dat we heel ver uit elkaar liggen. Allebei vroegen we ons af: het huidige systeem is vastgelopen, waar gaat de schok vandaan komen die een alternatief kan inluiden. En een maand later hebben we Corona. Best wel toevallig, zou ik dan denken, als ik geen Gymnasium had en dus geloofde in complotten.”
Terug naar de Schuttersweg. Hoe kijk jij terug op je tijd op het Gymnasium? “Ik heb er goed en gedegen onderwijs gehad, en bewaar goede herinneringen aan een aantal docenten. Maar ik vond het Gymnasium ook nogal autoritair en soms weinig speels. De jaren 80 waren die van de zakelijkheid, en de no-nonsense van Lubbers. Terwijl ik zelf erg houd van nonsense. (…) Ik leg op dit moment de laatste hand aan een boek over de vraag waarom mannetjes zoals ik in Nederland zo ontzettend vaak ergens de baas zijn. Het Gymnasium komt er ook nog in voor, want dat is een belangrijke factor. Dat Latijn en Grieks vergeet je allemaal weer, maar het zelfvertrouwen dat je op een Gymnasium opdoet, blijft je een leven lang bij. (…) Het gaat om het soort zelfvertrouwen dat je kunt denken, later in je leven: als ik iets niet snap, zal het ook te moeilijk zijn voor die 97,5% die geen Gymnasium konden, so I’m safe. Zelfde met iets niet weten. Het corps zal sociaal-cultureel zelfvertrouwen zeker versterken, bijna iedereen uit mijn klas ging daar ook bij (ik voor geen goud). Liggen witte mannen onder vuur? Ik weet het niet hoor. Directeur RIVM: witte man. Alle NOS Journalen hoofdredacteuren tot nu toe: witte mannen. Alle Volkskrant hoofdredacteuren tot nu toe: witte mannen. Alle premiers tot nu toe: witte mannen. Alle kroonprinsen bij de grote consensus partijen: witte mannen. Alle centrale bankiers tot nu toe: witte mannen.” Joris’ onderwerp lijkt hoogst actueel in een periode waarin de zwart-wit tegenstellingen in de Verenigde Staten en niet voor het eerst, tot uitbarsting komen. 
“Meer lijkt me het geval dat voor het eerst in de geschiedenis witte mannen net zo worden aangepakt als zwarte mannen, witte vrouwen en zwarte vrouwen en ook homo's. Dat is erg wennen voor ons, en omdat we zoveel plekken van macht en invloed innemen hebben we het daar veel over. Verder zie je dat beroepen waar vrouwen de meerderheid gaan vormen, zoals rechters en artsen, op zo'n moment juist in maatschappelijk aanzien dalen. Hebben we eerder gezien in het onderwijs. Overigens zeg ik zelf veel liever autochtoon, want het is breder dan huidkleur.”
“Hannibal ante portas, “ schreef Cicero zo’n tweeduizend jaar geleden. De vijand komt altijd van buiten, uit een ander dorp, een andere streek, een ander land, van overzee, over de bergen. De vijand heeft altijd een ander geslacht, een andere kleur, een ander geloof, een andere ideologie. 
 
 
Kees van Lede (1942) studeerde in Leiden en aan Insead in Fontainebleau, werkte bij Shell, bij McKinsey, Hollandse Beton Groep, en werd voorzitter van ondernemersorganisatie VNO. Van 1991 tot 2003 was hij voorzitter van de Raad van Bestuur van AKZO Nobel. Naast zijn dochter in de jaren tachtig, zitten nu drie kleinkinderen van Van Lede op het gymnasium. 
 
Hugo Arlman (1951) was de laatste van vier broers Arlman die op het gymnasium in Hilversum zaten. Hij deed in 1969 eindexamen, studeerde sociale wetenschappen in Rotterdam en Groningen, en werkte zeven jaar op de redactie van weekblad Vrij Nederland. Na een periode in de uitgeverij werd hij freelance journalist. Zijn laatste boek was De eeuw van J.L. Heldring (1917-2013). Een biografie. Hij werkt nu aan een boek over E.P. Wellenstein, een van de Nederlandse pioniers van Europa.